Meten van geur

In principe kan de geurbelasting in de omgeving van veehouderijen gemeten worden, maar de geurconcentraties zijn veelal te laag om betrouwbare metingen mogelijk te maken. Ook zijn er vaak meer veehouderijen in de omgeving aanwezig, zodat het niet eenvoudig is om de geurbronnen van elkaar te onderscheiden. Verder kunnen de geuremissies soms sterk variëren, waardoor het lastig is om representatieve metingen te doen van de geurconcentraties in de omgeving.Het is dan ook lastig om geurconcentraties in de omgeving aan de geuremissie van een veehouderij te koppelen. E-noses zijn nog in ontwikkeling voor toepassing op veehouderijen, bijvoorbeeld voor de monitoring van de geurproblematiek.

Olfactometrie

Geur wordt over het algemeen gemeten met behulp van de menselijke neus. Volgens een gestandaardiseerde methode worden met behulp van een olfactometer verschillende verdunningen gemaakt van een luchtmonster dat geurcomponenten bevat. Deze verdunningen worden aangeboden aan een panel van personen. Deze personen moeten voldoen aan een gevoeligheid voor geur die binnen een bepaalde vastgelegde bandbreedte van een referentiegeur ligt. Vastgesteld wordt bij welke verdunningsfactor het ‘gemiddelde’ panellid
het verdunde monster juist en met zekerheid kan onderscheiden van geurvrije lucht. Deze verdunningsfactor geeft de geurconcentratie aan. Is de verdunningsfactor bijvoorbeeld 1000 dan is de geursterkte van het oorspronkelijke luchtmonster 1000 ouE/m3. Deze methode wordt gebruikt om de geuremissie vast te stellen bijvoorbeeld uit een schoorsteen of uitlaat van een afzuigsysteem. De geurconcentratie in de omgeving van een veehouderij is over het algemeen te laag om op deze wijze te meten. Dan zijn er te weinig verdunningsstappen nodig en is de meting onbetrouwbaar.

Snuffelploeg

Snuffelploegen kunnen gebruikt worden om de geurbelasting in de omgeving van veehouderijen vast te stellen. De snuffelploeg gaat op verschillende afstanden van de geurbron na of geur wordt waargenomen. Voor dergelijke snuffelploegmetingen zijn ook standaard voorschriften. De snuffelploeg bestaat uit een aantal mensen die voldoen aan de eisen voor gevoeligheid voor geur (zie Olfactometrie). Per definitie is de afstand waarbij de helft van de personen in de snuffelploeg de geur net ruikt de geurconcentratie 1 snuffeleenheid per m3 lucht (se/m3). Er bestaat geen vaste verhouding tussen een geureenheid (odourunit) en een snuffeleenheid. Deze verhouding is afhankelijk van andere (achtergrond)geuren en in hoeverre de geur hiervan te onderscheiden is. Bij veehouderijen zijn er vaak meer geurbronnen en is de geur van de ene veehouderij lastig te onderscheiden van een andere veehouderij. Bij veehouderijen variëren de geuremissies vaak sterk over het seizoen of over de dag waardoor het moeilijk is om representatieve snuffelploegmetingen te doen. De uitkomsten van de snuffelploegmetingen (in se/m3) zijn dan ook niet direct te koppelen aan de gegevens over geuremissie (in ouE/m3) in de vergunning. Deze methode wordt daarom niet veel toegepast bij veehouderijen.

E-nose

Een nieuwe ontwikkeling is de e-nose, waarmee vooral ervaring is opgedaan met geur in de omgeving van chemische industrie in de Rijnmond en bij geuroverlast van horeca. Een e-nose heeft verschillende elektrische sensoren. Als gasvormige stoffen in de buitenlucht door deze sensoren gedetecteerd worden geeft de e-nose elektrische signalen. Al deze signalen vormen een patroon, een fingerprint. Een e-nose meet geen specifieke stoffen en kan daarmee ook niet de concentratie van die stoffen vaststellen. Door eerst de fingerprint van de geur van een bedrijf bij de bron vast te stellen, kan vervolgens in de omgeving de fingerprint van de buitenlucht bepaald worden. Beoordeeld kan worden of deze hetzelfde is als die van de geur van het bedrijf. Zo kan met de e-nose wel nagegaan worden of de geurbron in de omgeving waargenomen kan worden. De e-nose kan alleen als signaal dienen. In de Rijnmond konden met de e-nose afzonderlijke bronnen goed onderscheiden worden. Ook waren de e-noses een goede indicator voor het optreden van geurklachten.
In de omgeving van een veehouderij is alleen een pilot uitgevoerd. Op grotere afstand van de veehouderij in de woonomgeving kon met de e-nose geen signaal worden waargenomen. De concentratie van de stoffen was te laag en/of de sensoren niet gevoelig genoeg. Wanneer de e-nose dicht bij de veehouderij geplaatst werd, kon de e-nose wel signalen waarnemen. Deze kunnen in combinatie met heersende windrichting voorspellend zijn voor geurwaarneming bij omwonenden. Bij veehouderijen wordt de meerwaarde van de inzet van e-noses beperkt door de lagere concentraties in de omgeving van een veehouderij en het feit dat er vaak meerdere geurbronnen zijn, zoals andere veehouderijen, de opslag van mest of voer, laden en lossen van dieren of voer en het aanwenden van mest, die moeilijk van elkaar onderscheidbaar zijn. Er wordt nog verder onderzocht hoe de e-nose zinvol ingezet kan worden voor bijvoorbeeld de monitoring van de geurproblematiek bij veehouderijen.