Q-koorts is een infectieziekte die van dieren op mensen kan overgaan (zoönose). In Nederland zijn vooral besmette melkgeiten en melkschapen de bron voor mensen. Q-koorts is niet van mens op mens overdraagbaar. Q-koorts wordt veroorzaakt door de Coxiella burnetii bacterie. Besmetting ontstaat meestal door inademen van lucht waar de bacterie in zit. De Q-koorts uitbraak in de periode 2007-2010 heeft in Noord-Brabant ernstige gevolgen gehad. Dit heeft bijgedragen aan de zorgen van omwonenden van veehouderijen over hun gezondheid.

Hieronder zijn de belangrijkste vragen en antwoorden over Q-koorts op een rij gezet. Veel vragen gaan over risico’s en de kans om Q-koorts te krijgen. Wetenschappelijk gezien is een risico nooit volledig uit te sluiten. Als volgens de experts de kans erg laag is dat een bepaald effect optreedt, geven we dat aan met 'onwaarschijnlijk'.

Op dit moment is het onwaarschijnlijk dat een omwonende Q-koorts vanuit een melkgeitenbedrijf oploopt. Alle melkgeiten op bedrijven met meer dan 50 dieren worden verplicht gevaccineerd tegen Q-koorts en er mogen geen ongevaccineerde dieren worden aangevoerd. Om de aanwezigheid van de Q-koorts bacterie op een bedrijf te monitoren wordt de tankmelk gecontroleerd.

Ja, maar alleen bij kleine bedrijven (minder dan 50 dieren) zonder publieksfunctie. Voor alle andere bedrijven is vaccinatie tegen Q-koorts verplicht, dus ook voor kleine bedrijven (minder dan 50 dieren) met een publieksfunctie zoals kinderboerderijen, zorgboerderijen, bedrijven die lammetjesdagen organiseren, dierentuinen, campingboeren, etc. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWANederlandse Voedsel en Waren Autoriteit ) controleert of dieren gevaccineerd zijn.

(De laatste vragen op deze pagina zijn vijf aanvullende vragen en antwoorden over het ontbreken van een vaccinatieplicht voor hobbymatig gehouden geiten en schapen).

Gevaccineerde geiten kunnen nog kleine hoeveelheden Q-koorts bacteriën uitscheiden. Dat komt omdat gevaccineerde geiten soms een Q-koorts infectie kunnen oplopen. Deze dieren hoeven geen ziekteverschijnselen te krijgen. De uitscheiding van Q-koorts bacteriën is bij gevaccineerde geiten lager dan bij ongevaccineerde dieren. Voor een bedrijf waar jaarlijks gevaccineerd is, geldt dat de hoeveelheid Q-koortsbacteriën, in vergelijking met de periode van de Q-koorts uitbraak, erg laag is. Het feit dat er sinds 2016 geen bedrijven met Q-koorts zijn besmet, bevestigt dat. De kans dat gevaccineerde geiten elkaar infecteren is erg laag. Een infectie kan eigenlijk alleen uit de omgeving komen. Daarom is het onwaarschijnlijk dat een omwonende nu Q-koorts krijgt vanuit een geitenbedrijf.

Nederlands en Frans onderzoek geeft aan dat gevaccineerde dieren veel minder uitscheiden.

Indien er nog Q-koortsbacteriën op een geitenhouderij zijn, dan is de hoeveelheid laag . Het verplichte vaccinatie programma en het verbod om niet- gevaccineerde dieren aan te voeren, hebben sinds 2010 tot een voortschrijdende daling van de hoeveelheid Q-koortsbacteriën geleid. Metingen in de lucht bij geitenhouderijen in 2014 en 2015 lieten nog wel lage concentraties van het DNA van de Q-koortsbacterie zien, maar dat betekent niet dat de levende bacterie in de lucht aanwezig is. Het DNA kan ook afkomstig zijn van dode bacteriën.

Dat is onwaarschijnlijk. Bokken kunnen besmet zijn met de Q-koorts bacterie, maar de grote hoeveelheid Q-koortsbacteriën die vrijkomt bij geiten die een miskraam krijgen vormt het risico voor de mens. Bij bokken en rammen is dat risico er niet. Overdracht door de lucht zal daarom niet plaatsvinden. Op de meeste geitenbedrijven is slechts een klein aantal bokken aanwezig. De bokken worden gevaccineerd om te voorkomen dat ze tijdens het dekken van de geiten de bacterie overdragen.

Voor varkens is dat waarschijnlijk niet zo. Herkauwers zijn de belangrijkste gastheer van de Q-koorts bacterie. Vrijwel alle diersoorten kunnen de bacterie oplopen, maar de kans daarop is niet voor alle diersoorten even groot. Recent onderzoek van de WURWageningen University &Research trof de bacterie aan bij Nederlandse honden, paarden, schapen, runderen en herten. Bij de onderzochte varkens werd de bacterie niet aangetroffen.

Dat is bij Q-koorts niet waargenomen. Mutatie wordt veel minder gezien bij bacteriën dan bij virussen. Het is niet waarschijnlijk dat de vaccinatie niet effectief meer is omdat er ‘kruisreactiviteit’ bestaat tussen alle tot nog toe bekende Q-koortsbacteriestammen. Kruisreactiviteit houdt in dat vaccinatie bescherming biedt tegen alle Q-koortsstammen. Alleen bij een ingrijpende mutatie zou een Q-koortsstam zich aan deze kruisreactiviteit kunnen onttrekken, maar zo’n ingrijpende mutatie is onwaarschijnlijk. Bovendien zou de gemuteerde Q-koorts bacterie in de tankmelk terecht komen en bij de monitoring worden aangetoond. Dan kunnen er snel maatregelen genomen worden.

Nee, in de situatie van nu leiden meer dieren op een bedrijf en meer transport niet tot extra risico. In Nederland zijn alle melkgeiten op bedrijven met meer dan 50 dieren gevaccineerd en mogen geen ongevaccineerde dieren worden aangevoerd. Daardoor is de hoeveelheid Q- koorts bacteriën in de stallen van de geitenbedrijven laag, of is de bacterie afwezig. In deze situatie kan Q-koorts niet ‘vervoerd’ worden naar een andere locatie en vormt een groter aantal dieren en meer transport geen extra risico.

Als reactie op een besmetting met Q-koorts maakt het lichaam antistoffen aan tegen de bacterie. Deze antistoffen in het bloed kunnen worden gebruikt om aan te tonen of iemand besmet is geweest, en blijven jarenlang meetbaar. Dankzij de afweerreactie worden niet alle besmette mensen ziek. Ongeveer 60% van de mensen die in Nederland besmet zijn heeft geen klachten gehad. Anderen hadden kortdurende ziekteverschijnselen (meestal koorts, griepachtige klachten, longontsteking). Voor deze groep geldt dat ze geen levende Q-koorts bacteriën bij zich dragen en dat ze beschermd zijn tegen nieuwe Q-koorts infecties.

Bij een klein deel van de besmette personen (ongeveer 2%) wordt de infectie chronisch. In deze groep is de afweer onvolledig en kunnen levende Q-koorts bacteriën zich ergens in het lichaam handhaven. Overigens vormen deze mensen geen gevaar voor anderen omdat Q-koorts in principe niet van mens op mens overgedragen kan worden. Wel geldt dat artsen alert moeten zijn op deze groep mensen, vooral bij het optreden van hart- en/of hartklepafwijkingen. Gevolgen van chronische Q-koorts komen soms pas na jaren tot uiting. Het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft onderzocht wanneer screenen op antistoffen tegen de Q-koortsbacterie kosteneffectief is en adviseert screening bij mensen uit de risicogroep hart- en vaatziekten in de regio’s met een hoog en een gemiddeld aantal Q- koortspatiënten en screening bij mensen met een verzwakt afweersysteem in de regio met een hoog aantal Q-koortspatiënten. Dit advies is in december 2017 door de minister van LNV overgenomen.

Meer informatie: Kamerbrief vervolgbrief Q-koorts

Voor de situatie van nu is het onwaarschijnlijk dat omwonenden door opslag of afvoer van geitenmest worden besmet. Mest uit geitenstallen moet of direct in een afgedekte vrachtwagen naar een erkend composteerbedrijf worden afgevoerd of na verwijdering uit de stal minstens 30 dagen luchtdoorlatend en afgedekt worden opgeslagen. Afdekken zorgt voor een composteringsproces waardoor de temperatuur van de mest zo ver stijgt dat het aantal Q-koorts bacteriën dat eventueel in de mest zou zitten sterk wordt gereduceerd.

Er is onderzoek uitgevoerd of opslag/verspreiding van mest tijdens de Q-koorts uitbraak in 2007-2010 het risico op besmetting heeft verhoogd. De opslagplicht zoals die nu is was toen niet van kracht. De Nederlandse onderzoeken daarnaar geven tegenstrijdige resultaten. Naar de oorzaak van deze verschillen loopt vervolgonderzoek.

Op een bedrijf met gevaccineerde geiten zal de hoeveelheid Q-koortsbacteriën in de mest erg laag zijn. Op zo’n bedrijf is de uitscheiding van Q-koorts bacteriën laag. Daardoor komen er ook weinig bacteriën in de mest terecht. Door de behandeling van de mest  zullen deze bacteriën niet overleven.

Mest uit geitenstallen moet of direct in een afgedekte vrachtwagen naar een erkend composteerbedrijf worden afgevoerd of minstens 30 dagen luchtdoorlatend afgedekt, worden opgeslagen. Afdekken zorgt voor een composteringsproces waardoor de temperatuur van de mest zo ver stijgt dat de Q-koorts bacteriën niet overleven.

Nee, besmetting met Q-koorts kan niet op deze manier plaatsvinden, daar gaat het vooral om inademing van de bacterie. Vliegen kunnen allerlei bacteriën verspreiden. Besmetting kan plaatsvinden door het eten van voedsel waar vliegen die bacteriën bij zich hebben op gezeten hebben, maar voor de Q-koorts bacterie is dat onwaarschijnlijk.

De Q-koorts bacterie komt wijdverspreid en endemisch voor in de wereld. Huisdieren, boerderijdieren en knaagdieren kunnen besmet raken en de Q-koorts bacterie verspreiden. Daardoor zullen incidentele besmettingen en ziektegevallen ook de komende jaren voorkomen, net als in de periode voor de Q-koorts uitbraak in 2007.

De Q-koorts bacterie komt al heel lang bij verschillende diersoorten voor. Voornamelijk bij herkauwers zoals geiten, schapen, koeien, herten, maar ook huisdieren, (overige) boerderijdieren en knaagdieren. Dat leidde voor 2007 niet tot een uitbraak van Q-koorts in Nederland. Een Q-koorts besmetting bij mensen moet altijd worden gemeld. Bij iedere melding onderzoekt de GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst waar de besmetting vandaan kan komen. Daarbij wordt ook gekeken of geitenbedrijven de bron van de besmetting kunnen zijn. Doel van dit brononderzoek is verdere verspreiding te voorkomen.

Voor 2007 was er weinig bekend over de epidemiologie van Q-koorts en de verspreiding van de Q-koortsbacterie in de omgeving. Het was wel bekend als ziekte onder boeren, dierenartsen en werknemers van slachthuizen. Ook zijn buiten Nederland uitbraken beschreven onder mensen zonder direct contact met besmette dieren, meestal door besmetting vanuit geiten en schapen naar de omgeving. Tijdens de Q-koorts uitbraak in 2007-2010 was de uitscheiding van Q-koorts bacteriën op de besmette bedrijven zeer groot. Omdat veel geiten ongeveer tegelijk lammerden of miskramen kregen, op meerdere bedrijven tegelijk, ontstond een grote piek in de uitstoot van de Q-koorts bacterie naar de omgeving.

Het belangrijkste verschil met de periode 2007-2010 is de genomen maatregelen als jaarlijkse vaccinatie en monitoring van de tankmelk. Een uitbraak zoals in 2007-2010 is daardoor onwaarschijnlijk.

In Nederland zijn ruim 50.000 mensen besmet geraakt met de Q-koorts bacterie. Een deel van deze groep, maar zeker niet het grootste deel, woont in de buurt van Helmond.

Tijdens de Q-koorts uitbraak in 2007-2010 was de uitscheiding van Q-koorts bacteriën op de besmette bedrijven zeer groot. Deze bacteriën hebben zich via de lucht in de omgeving van de bedrijven verspreid. Daardoor heeft in die periode via de lucht besmetting plaats kunnen vinden. Infectie via lucht in de omgeving van geitenbedrijven is nu onwaarschijnlijk.

Het signaleren van dierziektes en de aanpak van een mogelijke uitbraak is op een andere manier georganiseerd dan via een ‘calamiteitenplan’. Er is een beleidsdraaiboek Q- koorts. Verder is er meldplicht voor besmettelijke dierziekten zoals Q-koorts. Dat betekent dat een veehouder of een dierenarts, als hij een besmettelijke dierziekte vermoedt, dit bij de NVWANederlandse Voedsel en Waren Autoriteit moet melden. Daarnaast kunnen GDGezondheidsdienst voor Dieren , NVWA of GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst op andere manieren signalen voor een (niet-meldplichtige) besmettelijke dierziekte of zoönose krijgen. Als het signaal om urgente actie vraagt zal NVWA, GD of GGD direct het landelijk Centrum Infectieziektebestrijding (CIbCentrum Infectieziektebestrijding (onderdeel van het RIVM)) inschakelen. Dat kan, afhankelijk van de ernst van de situatie, een ‘Outbreakmanagement team zoönosen’ instellen dat zorgt voor de verdere aanpak. Dat kan nu heel snel, afhankelijk van de alertheid van de veehouder, dierenarts, huisarts/ specialist. Bij de Q-koortsuitbraak in 2007 heeft dat lang geduurd, ook omdat er toen geen meldplicht voor Q-koorts was.

Bij minder urgente signalen voor een zoönose loopt de route via het signaleringsoverleg zoönosen (SO-Z). Naast de GD nemen het RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, de GGD, Universiteit Wageningen Bioveterinary Research (WBVRUniversiteit Wageningen Bioveterinary Research ), Universiteit Utrecht Faculteit Diergeneeskunde (UUFD) en NVWA hieraan deel.

Meer informatie:

Nee, voor de verspreiding van de Q-koorts bacterie maakt het niet uit of en hoeveel fijnstof er van andere bronnen in de lucht aanwezig is.

Ja, dat kan maar dit gegeven heeft waarschijnlijk niets met de uitbraak van 2007-2010 te maken. Zoals eerder opgemerkt kan de Q-koorts bacterie overal voorkomen, los van de uitbraak in 2007-2010. Saneren van grond is daarom niet aan de orde.

Een individuele kleine herkauwer vormt geen risico voor de omgeving. Op basis van wat er over Q-koorts bekend is, kán een individueel dier dat bevalt of aborteert een risico vormen voor de personen die daarbij betrokken zijn (veehouder of een dierenarts). Dit is dus geen volksgezondheidsprobleem, maar een van de arbeidsgeneeskunde.

Als er veel dieren op een bedrijf zijn komen bij een abortusstorm van de drachtige dieren dermate veel bacteriën vrij dat er een risico voor de wijde omgeving en dus voor de volksgezondheid ontstaat. De vaccinatieplicht is vooral ingesteld om dit te voorkomen.

Voor het aantal van 50 is geen directe onderbouwing met veterinaire onderzoeken. Het betreft een praktische keuze.

Nee, maatregelen ten aanzien van dieren kunnen alleen op basis van de Wet dieren genomen worden. Voor deze wet draagt uitsluitend het Ministerie van LNV Zaken beleidsverantwoordelijkheid.

Om deze reden kan een gemeente ook niet in gebreke worden gesteld als er vanuit een hobbydier een infectie zou optreden.

Nee, dit is niet het geval en zou ook niet proportioneel zijn. Elk dier en elk mens kan infectieziekten overbrengen en daar zullen we mee moeten omgaan.

Wat het contact met landbouwhuisdieren betreft is het overigens zo dat overdracht van fecale ziekteverwekkers (Salmonella, Campylobacter of STECshiga-toxine producerende E. coli ) een veel groter risico vormt dan de Q-koorts bacterie. Het aantal landbouwhuisdieren waarbij deze ziekteverwekkers voorkomen (prevalentie) is groter dan die van de Q-koorts bacterie en bovendien wordt er continu mest geproduceerd terwijl een schaap of geit maar eens per jaar drachtig is. Het is dus verstandig basale hygiënemaatregelen bij het contact met landbouwhuisdieren in acht te nemen. Dit is goed uitgewerkt in het keurmerk van de Vereniging Samenwerkende Kinderboerderijen Nederland (vSKBNVereniging Samenwerkende Kinderboerderijen Nederland ).