De Q-koorts uitbraak in de periode 2007-2010 heeft in Noord-Brabant ernstige gevolgen gehad. Dit heeft bijgedragen aan de zorgen van omwonenden van veehouderijen over hun gezondheid. Q-koorts is een infectieziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen. Q-koorts wordt veroorzaakt door de Coxiella burnetii, verder aangeduid als Q-koorts bacterie. Besmetting ontstaat meestal door inademen van lucht waar de bacterie in zit. Q-koorts is in principe niet overdraagbaar van mens op mens.

In dit onderdeel komen de vragen over Q-koorts aan bod. Daarbij is het belangrijk twee situaties uit elkaar te houden. De situatie zoals die tijdens de Q-koorts uitbraak in 2007-2010 was en de situaties zoals die nu in 2017 is. Veel vragen gaan over risico’s en de kans om Q-koorts te krijgen. Wetenschappelijk gezien is een risico nooit volledig uit te sluiten. Als volgens de experts de kans erg laag is dat een bepaald effect optreedt, geven we dat aan met 'onwaarschijnlijk'. 

Wat is het risico voor omwonenden van geitenhouderijen om Q-koorts te krijgen? 

Op dit moment is het onwaarschijnlijk dat een omwonende Q-koorts vanuit een geitenbedrijf oploopt. Alle geiten op bedrijven met meer dan 50 dieren worden verplicht gevaccineerd tegen Q-koorts en er mogen geen ongevaccineerde dieren worden aangevoerd. Om de aanwezigheid van de Q-koorts bacterie op een bedrijf te monitoren wordt de tankmelk door de Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) gecontroleerd, maandelijks en in de lammerperiode twee keer per maand. Sinds juli 2016 is de Q-koorts bacterie op geen enkel bedrijf in de melk aangetroffen.

De Q-koorts bacterie is wel in het milieu aanwezig is. Q-koorts bacteriën kunnen onder allerlei omstandigheden overleven en er zijn maar weinig bacteriën nodig om een infectie op te lopen. Herkauwers (zoals geiten, schapen, runderen, herten) zijn de belangrijkste gastheren van de Q-koorts bacterie. Ook andere diersoorten (huisdieren, overige boerderijdieren en knaagdieren) kunnen besmet raken en de bacterie verspreiden. Daardoor zullen incidentele besmettingen en ziektegevallen ook de komende jaren voorkomen, net als in de periode voor de Q-koorts uitbraak in 2007-2010. Dit staat los van geitenhouderijen.

Zijn er in Nederland nog schapen en geiten die niet ingeënt zijn tegen de Q koorts? 

Ja, maar alleen bij kleine bedrijven (minder dan 50 dieren) zonder publieksfunctie. Vaccinatie tegen Q-koorts is verplicht voor melkgeiten en melkschapen op (opfok-)bedrijven met meer dan vijftig dieren en bedrijven met een publieksfunctie. De vaccinatie wordt elk jaar herhaald en jonge dieren worden twee keer gevaccineerd kort na elkaar. Ook geiten en schapen op bedrijven met een publieksfunctie zoals kinderboerderijen, zorgboerderijen, bedrijven die lammetjesdagen organiseren, dierentuinen, campingboeren, etc., moeten worden gevaccineerd, evenals geiten en schapen die naar evenementen en keuringen gaan. Dat wordt gecontroleerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Heeft een geitenhouder zijn dieren niet voor 1 augustus gevaccineerd, dan draagt de NVWA hem op binnen 1 week te vaccineren. Doet hij dat niet, dan voert de NVWA de vaccinatie zelf uit op kosten van de geitenhouder. In 2016 haalden 22 bedrijven de verplichte deadline van 1 augustus niet. Tien dagen later hadden 7 bedrijven nog niet aan de vaccinatieplicht voldaan. Deze bedrijven zijn door de NVWA gedwongen hun dieren, op eigen kosten, te laten vaccineren. 

(bij vragen 2.22 tot en met 2.26 (zie ook in de download van het kennisbericht) zijn vijf aanvullende vragen en antwoorden over het ontbreken van een vaccinatieplicht voor hobbymatig gehouden geiten en schapen). 

Scheiden ingeënte dieren nog Q-koorts bacteriën uit en vormen ze nog een gevaar voor mensen? 

Uit welke onderzoeken wordt deze kennis gehaald? 

Gevaccineerde geiten kunnen nog kleine hoeveelheden Q-koorts bacteriën uitscheiden. Dat komt omdat gevaccineerde geiten soms een Q-koorts infectie kunnen oplopen. Deze dieren hoeven geen ziekteverschijnselen te krijgen. De uitscheiding van Q-koorts bacteriën is bij gevaccineerde geiten lager dan bij ongevaccineerde dieren. Voor een bedrijf waar jaarlijkse over een periode van meer dan 5 jaar gevaccineerd is, geldt dat de hoeveelheid Q-koortsbacteriën, in vergelijking met de periode van de Q-koorts uitbraak, erg laag is als er al Q-koorts bacteriën aanwezig zijn. Het feit dat er sinds juli 2016 geen Q-koortsbacteriën in de tankmelk van de melkgeitenbedrijven worden aangetroffen bevestigt dat. Daardoor is de kans dat gevaccineerde geiten elkaar infecteren erg laag. Een infectie kan eigenlijk alleen uit de omgeving komen en zou, als deze op zou treden, slechts een of enkele geiten betreffen. Daarom is het onwaarschijnlijk dat een omwonende nu Q-koorts krijgt vanuit een geitenbedrijf.

Nederlands en Frans onderzoek geeft aan dat ingeënte dieren veel minder bacteriën uitscheiden. In Nederland worden dieren op jonge leeftijd gevaccineerd, waardoor er minder bacteriën worden uitgescheiden. De vaccinatie wordt elk jaar herhaald waardoor de uitscheiding steeds verder afneemt. Omdat er sinds 2010 gevaccineerd wordt is Q-koorts infectie nu vrijwel van de bedrijven verdwenen. 

In hoeverre zijn er nog Q-koorts bacteriën aanwezig op geitenhouderijen?

Indien er nog Q-koortsbacteriën op een geitenhouderij zijn, dan is de hoeveelheid laag. Het verplichte vaccinatie programma en het verbod om niet-gevaccineerde dieren aan te voeren, hebben sinds 2010 tot een voortschrijdende daling van de hoeveelheid Q-koortsbacteriën geleid. Sinds juli 2016 zijn er geen Q-koortsbacteriën in de tankmelk op geitenhouderijen aangetroffen. Metingen in de lucht bij geitenhouderijen in 2014 en 2015 lieten nog wel lage concentraties van het DNA van de Q-koortsbacterie zien, maar dat betekent niet dat de levende bacterie in de lucht aanwezig is. 

Kan een (geiten)bok Q-koorts verspreiden? 

Dat is onwaarschijnlijk. Bokken kunnen besmet zijn met de Q-koorts bacterie, maar de grote hoeveelheid Q-koortsbacteriën die vrijkomt bij geiten die een miskraam krijgen vormt het risico voor de mens. Bij bokken en rammen is dat risico er niet. Overdracht door de lucht zal daarom niet plaatsvinden. Op de meeste geitenbedrijven is slechts een klein aantal bokken aanwezig. De bokken worden gevaccineerd om te voorkomen dat ze tijdens het bevruchten van de geiten de bacterie overdragen.

Kunnen varkens ook Q-koorts krijgen of verspreiden? 

Voor varkens is dat waarschijnlijk niet zo. Herkauwers zijn de belangrijkste gastheer van de Q-koorts bacterie, wereldwijd gaat het vooral om geiten en schapen. Vrijwel alle diersoorten kunnen de bacterie oplopen, maar de kans daarop is niet voor alle diersoorten even groot. Recent onderzoek van de WUR trof de bacterie aan bij Nederlandse honden, paarden, schapen, runderen en herten. Bij de onderzochte varkens werd de bacterie niet aangetroffen.

Kunnen Q-koorts bacteriën muteren waardoor de inenting niet meer effectief is? 

Dat is bij Q-koorts niet waargenomen. Het is ook niet waarschijnlijk dat dit gaat gebeuren omdat er 'kruisreactiviteit' bestaat tussen alle tot nog toe bekende Q-koortsbacteriestammen. Kruisreactiviteit houdt in dat vaccinatie tegen de ene Q-koortsstam ook bescherming biedt tegen alle andere Q-koortsstammen. Alleen bij een ingrijpende mutatie zou een Q-koortsstam zich aan deze kruisreactiviteit kunnen onttrekken, maar zo’n ingrijpende mutatie is onwaarschijnlijk. Bovendien zou de gemuteerde Q-koorts bacterie in de tankmelk terecht komen en bij de monitoring door de GD worden aangetoond. Dan kunnen er snel maatregelen genomen worden.

Verhogen meer dieren op een bedrijf en meer transport van dieren het risico op -verspreiding van Q-koorts?

Nee, in de situatie van nu leiden meer dieren op een bedrijf en meer transport niet tot extra risico. 

In Nederland zijn alle geiten op bedrijven met meer dan 50 dieren gevaccineerd en mogen geen ongevaccineerde dieren worden aangevoerd. Bovendien is de tankmelk op alle geitenhouderijen in Nederland vrij van de Q-koorts bacterie. Dat wijst er op dat de hoeveelheid Q-koorts bacteriën in de stallen van de geitenbedrijven laag is. In deze situatie kan Q-koorts niet 'vervoerd' worden naar een andere locatie en vormt een groter aantal dieren en meer transport geen extra risico.

Kun je Q-koorts krijgen als je drager bent?

Als reactie op een besmetting met Q-koorts maakt het lichaam antistoffen aan tegen de bacterie. Deze antistoffen in het bloed worden gebruikt om aan te tonen of iemand besmet is geweest, en blijven jarenlang meetbaar. Dankzij de afweerreactie worden niet alle besmette mensen ziek. Ongeveer 60% van de mensen die in Nederland besmet zijn heeft geen klachten gehad. Anderen hadden kortdurende ziekteverschijnselen (meestal koorts, griepachtige klachten, longontsteking). Voor deze groep geldt dat ze geen levende Q-koorts bacteriën bij zich dragen en dat ze beschermd zijn tegen nieuwe Q-koorts infecties. 

Bij een klein deel van de besmette personen (ongeveer 2%) kan de infectie chronisch worden. In deze groep is de afweer onvolledig en kunnen levende Q-koorts bacteriën zich ergens in het lichaam handhaven. Overigens vormen deze mensen geen gevaar voor anderen omdat Q-koorts in principe niet van mens op mens overgedragen kan worden. Wel geldt dat artsen alert moeten zijn op deze groep mensen, vooral bij het optreden van hart- en/of hartklepafwijkingen. Gevolgen van chronische Q-koorts komen soms pas na jaren tot uiting. Momenteel beoordeelt het RIVM, in opdracht van het ministerie van VWS, of bevolkingsonderzoek naar (chronische) Q-koorts haalbaar en doelmatig is. Het gaat daarbij niet om onderzoek van de gehele Nederlandse bevolking, maar om gerichte screening van groepen met een hoog risico (patiënten met een aneurysma en/of hartklepafwijkingen) in enkele regio’s. Dit haalbaarheidsonderzoek werd in november 2016 geadviseerd door het Deskundigenberaad Zoönosen (DB-Z). De resultaten van het haalbaarheidsonderzoek van het RIVM worden in juni 2017 verwacht.

Meer informatie: Adviesbrief n.a.v. DB-Z over Q-koorts

Wat zijn de risico’s voor omwonenden van opslag en vervoer van geitenmest?

Voor de situatie van nu is het onwaarschijnlijk dat omwonenden door opslag of afvoer van geitenmest worden besmet. Mest uit geitenstallen moet of direct in een afgedekte vrachtwagen naar een erkend composteerbedrijf worden afgevoerd of minstens 30 dagen afgedekt worden opgeslagen. Afdekken zorgt voor een composteringsproces waardoor de temperatuur van de mest zo ver stijgt dat Q-koorts bacteriën die eventueel in de mest zouden zitten het niet overleven.

Er is onderzoek uitgevoerd of opslag/verspreiding van mest tijdens de Q-koorts uitbraak in 2007-2010 het risico op besmetting heeft verhoogd. De Nederlandse onderzoeken daarnaar geven tegenstrijdige resultaten. Een nieuwe analyse van de oorzaak van deze verschillen zal binnen enkele maanden worden afgerond.

Als de Q-koorts bacterie op een bedrijf waar alle geiten gevaccineerd zijn niet in de tankmelk zit, is de mest dan ook vrij van de bacterie?

Op een bedrijf met gevaccineerde geiten, waar geen Q-koortsbacteriën in de tankmelk zitten, zal de hoeveelheid Q-koortsbacteriën in de mest erg laag zijn. Op zo’n bedrijf is de uitscheiding van Q-koorts bacteriën laag. Daardoor komen er ook weinig bacteriën in de mest terecht, als dat al gebeurt. Door de behandeling van de mest zullen deze bacteriën niet overleven. 

Mag mest van een bedrijf waar alle geiten gevaccineerd zijn en de Q-koorts bacterie niet in de tankmelk zit worden uitgereden?

Mest uit geitenstallen moet of direct in een afgedekte vrachtwagen naar een erkend composteerbedrijf worden afgevoerd of minstens 30 dagen afgedekt worden opgeslagen Afdekken zorgt voor een composteringsproces waardoor de temperatuur van de mest zo ver stijgt dat de Q-koorts bacteriën niet overleven.

Kunnen vliegen die op de geitenmest gezeten hebben Q-koorts verspreiden?

Nee, besmetting met Q-koorts kan niet op deze manier plaatsvinden, daar gaat het vooral om inademing van de bacterie. Vliegen kunnen allerlei bacteriën verspreiden. Besmetting kan plaatsvinden door het eten van voedsel waar vliegen die bacteriën bij zich hebben op gezeten hebben, maar voor de Q-koorts bacterie is dat onwaarschijnlijk. 

De laatste jaren waren er gemiddeld ongeveer 20 Q-koortsmeldingen per jaar. Waar komen die vandaan?

Huisdieren, boerderijdieren en knaagdieren kunnen besmet raken en de Q-koorts bacterie verspreiden. Daardoor zullen incidentele besmettingen en ziektegevallen ook de komende jaren voorkomen, net als in de periode voor de Q-koorts uitbraak in 2007. Dit staat los van geitenhouderijen.

Omwonenden vinden het verontrustend dat de Q-koorts bacterie bij zoveel diersoorten voorkomt. Wat wordt er gedaan om een uitbraak te voorkomen.

De Q-koorts bacterie komt al heel lang bij verschillende diersoorten voor. Voornamelijk bij herkauwers zoals geiten, schapen, koeien, herten, maar ook huisdieren, (overige) boerderijdieren en knaagdieren. Dat leidde voor 2007 niet tot een uitbraak van Q-koorts in Nederland. 

Een Q-koorts besmetting bij mensen moet altijd worden gemeld. Bij iedere melding onderzoekt de GGD uitgebreid waar de besmetting vandaan kan komen. Daarbij wordt ook gekeken of geitenbedrijven de bron van de besmetting kunnen zijn. Doel van dit brononderzoek is verdere verspreiding te voorkomen.

De besmetting van geiten met de Q-koorts bacterie was vóór 2007 bekend, maar toch ontstond er een uitbraak. Nu wordt gezegd dat de kans op infectie laag is. Wat is het verschil tussen 2007 en nu?

Voor 2007 was er weinig bekend over de epidemiologie van Q-koorts en de verspreiding van de Q-koortsbacterie in de omgeving. Het was wel bekend als ziekte onder boeren, dierenartsen en werknemers van slachthuizen. Ook zijn buiten Nederland uitbraken beschreven onder mensen zonder direct contact met besmette dieren, meestal door besmetting vanuit geiten en schapen naar de omgeving. Tijdens de Q-koorts uitbraak in 2007-2010 was de uitscheiding van Q-koorts bacteriën op de besmette bedrijven zeer groot. Omdat veel geiten ongeveer tegelijk lammerden of miskramen kregen, op meerdere bedrijven tegelijk, ontstond een grote piek in de uitstoot van de Q-koorts bacterie naar de omgeving. 

Het belangrijkste verschil met de periode 2007-2010 is dat door herhaalde, jaarlijkse vaccinatie over een periode van meer dan 5 jaar, een verbod op aanvoer van niet gevaccineerde geiten op het bedrijf en monitoring van de tankmelk de Q-koorts bacterie vrijwel van de bedrijven is verdwenen. Een uitbraak zoals in 2007-2010 is daardoor onwaarschijnlijk.

Klopt het dat 50.000 tot 100.000 mensen besmet zijn met de Q-koorts bacterie en dat het grootste gedeelte daarvan in de regio Helmond woont?

In Nederland zijn ruim 50.000 mensen besmet geraakt met de Q-koorts bacterie. Een deel van deze groep, maar zeker niet het grootste deel, woont in de buurt van Helmond. 

Hoe kan het dat mensen door fietsen in de omgeving van een geitenbedrijf ziek zijn geworden?

Tijdens de Q-koorts uitbraak in 2007-2010 was de uitscheiding van Q-koorts bacteriën op de besmette bedrijven zeer groot. Deze bacteriën hebben zich via de lucht in de omgeving van de bedrijven verspreid. Daardoor heeft in die periode via de lucht besmetting plaats kunnen vinden. Door herhaalde, jaarlijkse vaccinatie is de Q-koorts bacterie vrijwel van de bedrijven verdwenen. Infectie via lucht in de omgeving van geitenbedrijven is nu onwaarschijnlijk.

Er ligt volgens de deskundigen nog steeds geen calamiteitenplan (net als bij de varkens) bij de uitbraak van geitenziektes. Wanneer gaat dit er komen?

Het signaleren van dierziektes en de aanpak van een mogelijke uitbraak is op een andere manier georganiseerd dan via een 'calamiteitenplan'. Er is in 2016 een beleidsdraaiboek Q-koorts gepubliceerd. Verder is er meldingsplicht voor besmettelijke dierziekten zoals de Q-koorts. Dat betekent dat een veehouder of een dierenarts, als hij een besmettelijke dierziekte vermoedt, dit direct bij de NVWA moet melden. Daarnaast kunnen GD, NVWA of GGD op andere manier signalen voor een (niet-meldingsplichtige) besmettelijke dierziekte of zoönose krijgen. Als het signaal om urgente actie vraagt zal NVWA, GD of GGD direct het landelijk Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) inschakelen. Dat kan, afhankelijk van de ernst van de situatie, een 'Outbreakmanagement team zoönosen' instellen dat zorgt voor de verdere aanpak. Aanpak kan nu heel snel, afhankelijk van de alertheid van de veehouder, dierenarts, huisarts/ specialist. Bij de Q-koortsuitbraak in 2007 heeft dat lang geduurd, ook omdat er toen geen meldingsplicht voor Q-koorts was.

Bij minder urgente signalen voor een zoönose loopt de route via het signaleringsoverleg zoönosen (SO-Z). Naast de GD nemen het RIVM, de GGD, Universiteit Wageningen Bioveterinary Research (WBVR), Universiteit Utrecht Faculteit Diergeneeskunde (UUFD) en NVWA hieraan deel. 

Meer informatie:

Maakt het voor de verspreiding van de Q-koorts bacterie uit hoeveel fijnstof er in de lucht zit van andere bronnen (veehouderij, verkeer, industrie)?

Nee, voor de verspreiding van de Q-koorts bacterie maakt het niet uit of en hoeveel fijnstof er van andere bronnen in de lucht aanwezig is.

Kan de grond waarop tijdens de uitbraak van Q-koorts in de periode 2007-2010 mest is uitgereden nu nog levende Q-koorts bacteriën bevatten? 

Worden er met betrekking tot deze grond maatregelen genomen (afgraven, schoonmaken)?

Ja, dat kan maar dit gegeven heeft waarschijnlijk niets met de uitbraak van 2007-2010 te maken. Zoals eerder opgemerkt kan de Q-koorts bacterie overal voorkomen, los van de uitbraak in 2007-2010. Saneren van grond is daarom niet aan de orde.

Waarom is er niet gekozen voor een inentingsplicht voor alle geiten/schapen?

Een individuele kleine herkauwer vormt geen risico voor de omgeving. Op basis van wat er over Q-koorts bekend is, kán een individueel dier dat bevalt of aborteert een risico vormen voor de personen die daarbij betrokken zijn (veehouder of een dierenarts). Dit is dus geen volksgezondheidsprobleem, maar een van de arbeidsgeneeskunde. 

Als er veel dieren op een bedrijf zijn komen bij een abortusstorm van de drachtige dieren dermate veel bacteriën vrij dat er een risico voor de wijde omgeving en dus voor de volksgezondheid ontstaat. De vaccinatieplicht is vooral ingesteld om dit te voorkomen. 

Waarom ligt de grens bij 50 geiten/schapen? Is daar onderbouwing vanuit veterinaire hoek? 

Voor het aantal van 50 is geen directe onderbouwing met veterinaire onderzoeken. Het betreft een praktische keuze. 

Kan een gemeente in aanvulling op het beleid van het ministerie van EZ dat wordt uitgevoerd door de NVWA een verdergaande inentingsplicht opleggen, via de APV of anderszins?

Nee, maatregelen ten aanzien van dieren kunnen alleen op basis van de Wet dieren genomen worden. Voor deze wet draagt uitsluitend het ministerie van EZ beleidsverantwoordelijkheid. 

Om deze reden kan een gemeente ook niet in gebreke worden gesteld als er vanuit een hobbydier een infectie zou optreden. 

Is een hobbyboer 'zonder publieksfunctie' vanuit het beleid van het ministerie van EZ verplicht om waarschuwingsborden bij schapen of geiten die in de wei lopen te plaatsen die aangeven dat ze niet zijn ingeënt?

Nee, dit is niet het geval en zou ook niet proportioneel zijn. Elk dier en elk mens kan infectieziekten overbrengen en daar zullen we mee moeten omgaan. 

Wat het contact met landbouwhuisdieren betreft is het overigens zo dat overdracht van fecale ziekteverwekkers (Salmonella, Campylobacter of STEC) een veel groter risico vormt dan Coxiella. Het aantal landbouwhuisdieren waarbij deze ziekteverwekkers voorkomen (prevalentie) is groter dan die van Coxiella en bovendien wordt er continu mest geproduceerd terwijl een schaap of geit maar eens per jaar drachtig is. Het is dus wel verstandig basale hygiënemaatregelen bij het contact met landbouwhuisdieren in acht te nemen. Dit is goed uitgewerkt in het keurmerk van de Vereniging Samenwerkende Kinderboerderijen Nederland (vSKBN). 

Kan een gemeente houders van niet gevaccineerde geiten/schapen verplichten om daarvoor waarschuwingsborden te plaatsen? 

Nee, daarvoor zijn geen mogelijkheden.