3e symposium, 3 november 2017, Den Bosch
KENNISPLATFORM VEEHOUDERIJ EN HUMANE GEZONDHEID:
ONDERZOEK, SAMENWERKING EN TOEKOMST

'EEN GOEDE BOER ALS BUUR'

Het Veehouderij en Gezondheidsonderzoek (VGO) van vorig jaar heeft geleid tot verschillende vervolgonderzoeken. Onder andere speuren wetenschappers naar een onbekende bacterie op de huid van geiten of in hun mest. Dat zou een verklaring kunnen zijn voor het verhoogd aantal longontstekingen bij omwonenden van geitenbedrijven, zo hoorden circa 275 mensen op het derde symposium van Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid. Mensen uit kennisinstellingen, gezondheidsdiensten, overheden, landbouwbedrijfsleven en bewonersorganisaties doen nieuwe kennis op en vinden inspiratie voor nieuwe oplossingen in netwerken. En er zijn mooie voorbeelden van samenwerking tussen overheden en boeren, zoals blijkt met de oprichting van het zogeheten kwaliteitsteam in Overijssel.

Het gaat goed met het Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid”, zegt voorzitter Annemarie Moons tegen dagvoorzitter Marcel Hammink. “Dat zien we niet alleen aan de mooie opkomst van vandaag, maar ook aan de toename van het aantal kennisberichten en themabijeenkomsten en vooral ook de waardering ervan.” Moons meldt tevens dat het voortbestaan van het Kennisplatform minstens met drie jaar is verlengd. Ze wijst er op dat mede door de activiteiten van het Kennisplatform de mestproblematiek onveranderd hoog op de agenda staat, de warme sanering van niet meer rendabele varkenshouderijen zelfs met een budget van 200 miljoen euro voor twee jaar in het Regeerakkoord staat en in de gemeenteraadverkiezingen van maart 2018 zullen het toetsingskader voor geurhinder in de intensieve veehouderij, duurzaamheid en vooral de Omgevingswet belangrijke onderwerpen worden.

Op zoek naar de onbekende longontstekingsbacterie: Dick Heederik, hoofdonderzoeker IRAS, Universiteit Utrecht

Dick Heederik meldt dat er aanvullende onderzoeken lopen, mede als gevolg van de VGO-studie van 2016. Daaruit bleek op basis van analyse van 100 duizend dossiers van patiënten van huisartsen dat meer longontstekingen voorkomen bij mensen die binnen een straal van 1 kilometer van een pluimveebedrijf wonen. Heederik schatte toen in dat het om 150 vermijdbare gevallen gaat. “In heel Nederland wonen ongeveer 1 miljoen mensen binnen 1 kilometer van zo'n bedrijf. Het zou dan landelijk om ongeveer 1000 gevallen gaan. Het is geen heel sterk effect, maar het gaat toch om een aanzienlijk aantal mensen”, aldus Heederik.

Opmerkelijk is dat het risico om longontsteking op te lopen rond geitenhouderijen groter is dan rond pluimveebedrijven. “En het gaat dus niet meer om Q-koorts, onder andere omdat we niet meer antilichamen tegen de Coxiella-bacterie zien bij mensen die aan het medisch onderzoek van de VGO studie hebben meegedaan. Daarnaast worden geitenbedrijven gemonitord en ook daar wordt geen Q-koorts gezien. Nederlandse geiten- en schapenbedrijven zijn met andere woorden vrijwel Q-koorts-vrij en zitten weer op het achtergrondniveau van enkele tientallen gevallen per jaar van vóór de uitbraken. Dat komt omdat de nieuwe generaties geiten afdoende worden gevaccineerd.” Dus er moet iets anders aan de hand zijn, bijvoorbeeld een nog onbekende bacterie die zich onder geiten of wellicht in de gecomposteerde geitenmest bevindt”, denkt de hoogleraar.

Op stapel staat de analyse van de actuele huisartsengegevens in de periode 2014 – 2016, zowel van de geiten- als pluimveebedrijven. Daarbij zijn de geiten politiek interessanter. “De politiek heeft immers al een reductie van de stofgehaltes van 50-70 procent voor pluimvee afgekondigd.

Door onderzoekers en ministeries wordt nog gekeken welke andere onderzoeken uitgevoerd gaan worden. Bijvoorbeeld de uitbreiding van de medische analyse bij omwonenden van bedrijven in Brabant naar Gelderland en Overijssel is interessant. “In die provincies is namelijk minder achtergrondconcentratie van luchtvervuiling aanwezig.” De resultaten van dit onderzoek worden in juni 2018 verwacht.

De Gezondheidsraad werkt aan twee rapporten, de ene over veehouderij en gezondheid en de andere over fijnstof, inclusief het 'secundair fijnstof' dat ontstaat uit reacties met ammoniak uit mest. Ten slotte blijkt uit het overzicht van Heederik dat ook Wageningen University & Research aan onderzoek werkt over de verspreiding van endotoxines vanuit alle verschillende soorten dierverblijven, van rundvee tot konijnen. “De plekken met hoge concentraties kunnen dan worden gekoppeld aan de longfuncties van bewoners in die gebieden en dat leidt hopelijk tot meer kwantitatief onderbouwde verbanden.” Dick Heederik pleit voor een echte vermindering van de emissies uit de stallen. “Daardoor zal de gezondheidslast echt dalen en dat werkt beter dan richtlijnen voor contouren en afstanden.”

Dialoog: Noelle Aarts, hoogleraar socio-ecologische interacties, Radboud Universiteit Nijmegen

Mensen zijn altijd met elkaar in gesprek. Naar verluidt zijn managers zelfs 80 procent van hun werktijd aan het praten, zegt Noelle Aarts, communicatiespecialist aan de Radboud Universiteit. Maar wat is een dialoog, en wat is precies het verschil met een debat en een discussie? “Wordt een discussie te ingewikkeld, zoals met Zwarte Piet, intensieve veehouderij of het klimaat, dan noemen we het maar dialoog”, zegt Aarts, “maar zo werkt het natuurlijk niet.”

Een discussie of debat draait om stellingen met meningen waaruit een winnaar tevoorschijn komt die de andere deelnemer(s) heeft verslagen. “Een dialoog daarentegen kent geen tegenstanders en geen winnaars. “Alle meningen worden gerespecteerd in de kunst van het samen nadenken”, formuleert Aarts.

Wij zijn kortom 'in gesprek'. Maar zo eenvoudig is dat niet, constateert Aarts. “Zo goed zijn die gesprekken in dialoog niet. Deelnemers hebben fundamenteel andere belangen, waardoor ze ontevreden worden en niet zelden gefrustreerd vertrekken.”

Noelle Aarts wijst enkele onderliggende mechanisme voor niet-vlottende dialogen aan. We nemen selectief waar, hebben meteen een beeld, een oordeel en weten de oorzaak. “Dat doen we vaak op basis van slechts enkele gegevens. We bouwen altijd een incompleet verhaal op. Onzekerheden selecteren we weg.”

Geitenhouders kijken anders tegen gezondheidsrisico's aan dan omwonenden omdat ze een fundamenteel ander perspectief hebben, en dat leidt niet tot gedeelde interpretaties. Daar komt bij dat we het liefst met 'ons soort mensen' spreken. “OSM zijn niet bedreigend. Zij zijn het feest der herkenning. Zij hebben aan een half woord genoeg.” En zo verworden halve woorden tot onwrikbare waarheden. Aarts: “Daar komen weinig vernieuwende gedachten uit, zeker als de achterban op je nek zit.”

Ook een mooie overtuigingsstrategie die een dialoog blokkeert, is je beroepen op het persoonlijk contact of de autoriteit. 'Dat zegt u nu, maar mijn tante……' en 'ik heb zelf dierwetenschappen gestudeerd dus….' of 'ik werk al 30 jaar bij de gemeente en dit heb ik nog nooit….' of 'persoonlijk draag ik boeren een warm hart toe, maar…' Noelle Aarts: “Let ook eens op het gebruik van bijvoeglijke naamwoorden als 'perfecte landbouwgrond', 'onnozel stukje natuur' en begrippen als 'plofkip'.

Kortom, een dialoog onderhouden is knap ingewikkeld. Hoe kom je nu tot een dialoog? Het begint met luisteren. “Dat is verschrikkelijk moeilijk. Zijn we niet goed in. Alleen kinderen zijn werkelijk geïnteresseerd in andere meningen.” En dat is de tweede voorwaarde voor een dialoog: nieuwsgierigheid. 'Goh, u denkt dat u binnen afzienbare tijd de emissies van uw veehouderij kunt terugdringen? Boeiend!'

Noelle Aarts geeft vijf richtlijnen:

  1. Luister met aandacht en respect en vraag door tot je het begrijpt;
  2. Erken dat er altijd meerdere perspectieven zijn;
  3. Verken onderliggende normen en aannames, inclusief die van jezelf;
  4. Neem emoties serieus. Ze zijn niet minderwaardig ten opzichte feiten. Emoties zijn een kenmerk van betrokkenheid;
  5. Zoek naar vervolgstappen, concreet en haalbaar, zoals bijvoorbeeld een nieuw gesprek.

“Als we deze richtlijnen volgen, vindt 'ontwapening' plaats, komen oplossingen op basis van enige consensus in zicht en wordt de samenleving er een beetje zinvoller van”, besluit Noelle Aarts.

Eerste ronde interviews: samenwerking tussen gemeenten en Kennisplatform

Dagvoorzitter Marcel Hammink ondervraagt twee wethouders ruimtelijke ordening Gemert-Bakel en Venray en GGD-medewerker van Doetinchem over hun ervaring met het Kennisplatform. In Gemert ging de gemeente al in een vroeg stadium de dialoog aan met omwonenden over de vestiging van een geitenhouderij. “Dat beviel niet goed, mede doordat in een nabijgelegen wijk in de gemeente Helmond ervaringen waren met Q-koorts”, vertelt wethouder Ruimtelijke Ordening Anke van Extel. De gemeente schakelde daarop het Kennisplatform in en ook de GGD. Dat leidde tot twee gesprekken waaronder een expertmeting met Kennisplatform, GGD, de boer en de omwonenden. Alle feiten over risico's en Q-koorts werden in een rondetafelgesprek met vraag en antwoord op een rij gezet. De sfeer blijft toch wantrouwend, constateert de wethouder. “Omwonenden lijken de kennis niet tot zich te nemen. Het ene feit helpt het andere om zeep”, aldus Van Extel. In die sfeer is het lastig om een besluit te nemen. Ze vindt het daarom heel goed dat de Provincie Noord-Brabant de verantwoordelijk naar zich heeft toegetrokken door voorlopig een moratorium op nieuwe geitenbedrijven af te kondigen.

In Doetinchem speelde een vergelijkbare zaak met een biologisch vleeskuikenbedrijf (60 duizend kuikens). “Wij organiseerden een vragenronde voor omwonenden die honderden vragen opleverde”, zegt Steven van der Lelie, medisch milieukundige bij de GGD in Doetinchem. “Het Kennisplatform droeg als onafhankelijke partij veel wetenschappelijke informatie aan. Daaruit kwam onder meer naar voren wat er allemaal níet aan de hand is”, zegt Van der Lelie. “Het bedrijf komt ver van woonkernen te liggen en daardoor is er minder risico op blootstelling aan fijnstof en endotoxines.” De wetenschap kan echter niet zeggen wat de politiek moet doen. “Wel denk ik dat het Kennisplatform als deskundig wordt gezien, en door de omwonenden meer wordt geaccepteerd dan de GGD”, zo is de indruk van Van der Lelie.

Martijn van der Putten, wethouder Ruimtelijke Ordening in Venray werkt in zijn gemeente aan een visie op de veehouderij. Venray heeft van oudsher zeer veel veehouderijbedrijven op het grondgebied, onder meer vier miljoen kippen. “Er is ook sprake van uitbreiding van de varkensstallen”, zegt Van der Putten. “Er is een groeiend wantrouwen tegen het systeem, dus het Kennisplatform heeft zeker meerwaarde in het aandragen van wetenschappelijke en emotievrije kennis”, aldus Van der Putten. Concrete vragen zijn er nog niet gesteld aan het Kennisplatform. De kennisberichten zijn wel benut voor de visie.

Alle drie de geïnterviewden vinden dat het Kennisplatform meer aan zijn bekendheid moet werken. “Onafhankelijke kennis heeft meerwaarde”, zegt Van der Putten. “Het Kennisplatform moet meer in de openbaarheid treden”, moedigt Anke van Extel aan. “Wij zijn er blij mee. Het platform moet doorgaan”, zegt Steven van der Lelie. “Een Achterhoeker wacht af. Je moet zijn vertrouwen winnen.”

Tweede ronde interviews: toekomstvisie veehouderij en humane gezondheid

Dagvoorzitter Marcel Hammink ondervraagt onder meer de Overijsselse Gedeputeerde Hester Maij over de toekomst van de veehouderij met het oog op de humane gezondheid. Maij brengt een nieuwe ontwikkeling ter sprake. “Sinds kort hebben wij een kwaliteitsteam voor de agrofoodsector opgericht. Wij vragen boeren die willen uitbreiden om 'extraatjes' op gebied van dierenwelzijn, milieu, informatie voor buren, natuur, enzovoort”, zegt Maij. Deze 'plus' kan op 18 verschillende onderwerpen, moet altijd duurzaamheid en innovatie bevorderen en komt dus bovenop de nationale regelgeving. Het kwaliteitsteam gaat deze initiatieven beoordelen. “Wij laten ons daarbij niet in eerste instantie door cijfers, maar door kwaliteit leiden. Een melkveehouderij van 520 koeien is groot, maar het staat in een ander perspectief als het een biologisch gezinsbedrijf is, de melk in Nederland afzet, en aan de rand van Natura 2000-gebied extra natuurvoorzieningen treft.” Maij pleit voor een samenwerking in de hele keten 'van zaadje tot karbonaadje'. Regels zijn geen doel op zich. De intrinsieke motivatie van de boer moet weer op de voorgrond komen te staan.” De toekomst in één zin? Maij: “Een goede boer als buur.” Martin Scholten, directeur van de Animal Science Group van Wageningen University & Research en tevens voorzitter van het Netherlands Centre for One Health, denkt dat de Overijsselse kwaliteitsteams bijdragen aan een dialoog in plaats van debat, eigenlijk eenzelfde rol als het Kennisplatform. “Het Kennisplatform zet een compleet verhaal neer, met alle onderwerpen zorgvuldig naast elkaar. Het gaat er om niet alleen als een rijdende rechter de normen te beschermen maar de kwaliteit van de leefomgeving te bevorderen. Ook de Omgevingswet kan straks worden benut om de toekomst van de veehouderij duurzamer te maken”, aldus Scholten. Ook Scholten vindt dat zorgvuldige boeren moet worden geholpen en achterblijvers niet meer. Hij juicht de warme sanering van verouderde varkenshouderijen toe. “We hadden als wetenschap meer moeten bijdragen aan stalsystemen die zowel dierenwelzijn als de gezondheid van omwonenden waarborgt.” De toekomst in één zin? “Ga zo door, Kennisplatform, samenwerking tussen medische en veterinaire wetenschappers zal nog meer bereiken.” De Brabantse gemeente Reusel – de Mierden (De Kempen) kent een hoge dichtheid aan dieren per inwoner. “Wij zijn een dialoog begonnen tussen burgers, boeren, raadsleden”, zegt Wil Gijbels, burger, en in het dagelijks leven Officier van Justitie. “We willen onderling samenwerken om de gezondheid van mens en dier te waarborgen. De gemeente helpt daarbij maar de ondernemer is aan zet. Wij willen werken aan een motie van vertrouwen.” Net als Hester Maij pleit Gijbels voor 'intrinsiek gedragen ondernemerschap. De toekomst in één zin? “Wij zijn allemaal omwonenden, samen met het Kennisplatform kunnen we een dialoog voor duurzaamheid ontwikkelen."