De mogelijke vestiging van een geitenhouderij in Muizenhol (provincie Noord-Brabant, gemeente Gemert/Bakel) was aanleiding tot veel vragen van omwonenden, huisartsen, GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst en gemeente. Het Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid heeft die vragen ontvangen via de GGD. De vragen zijn voorgelegd aan experts binnen het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVMRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu), Wageningen University & Research (WURWageningen University &Research) en binnen het Institute for Risk Assessment Sciences (IRASInstitute for Risk Assessment Sciences ) van de Universiteit Utrecht.

Onderstaande Q&AQuestion & Answer (vraag en antwoord) gaat over de volgende vier onderwerpen:

Milieufactoren van geitenhouderijen en gezondheid

Omwonenden van veehouderijen maken zich zorgen om de uitstoot, vooral over fijnstof/endotoxinen, ammoniak en bacteriën. Zij vragen zich af welke gezondheidseffecten deze uitstoot kan hebben en op welke afstand van een bedrijf je veilig kunt wonen. Daarnaast zijn er zorgen over geurhinder en de mogelijke gezondheidseffecten daarvan.

Het onderzoek ‘veehouderij en gezondheid omwonenden’ (VGOOnderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden ) geeft aan dat:

  • de longfunctie kan verminderen van mensen die in de buurt van veehouderijen wonen. Deze vermindering wordt gevonden als er veel veehouderijen in de buurt zijn (bij 15 of meer bedrijven binnen een kilometer afstand). Dit verband hangt niet samen met een bepaald type veehouderij.
  • de kans op het oplopen van een longontsteking groter is voor omwonenden van veehouderijen. Recente VGO-analyses geven aan dat het hierbij vooral gaat om mensen die binnen 1 tot 2 kilometer van een geiten- of pluimveehouderij wonen.
  • Bij geitenhouderijen werden eerder al aanwijzingen voor een verhoogde kans op longontsteking gevonden. De VGO-onderzoekers zien nu een toename over alle jaren van 2007 tot en met 2013, dus ook na de Q-koortsepidemie, die van 2007 tot en met 2010 plaatsvond. Het aantal extra gevallen van longontsteking in het onderzoeksgebied dat kan worden toegeschreven aan de geitenbedrijven is ongeveer 89 patiënten per 100.000 mensen per jaar. Dat komt neer op ongeveer 5,4% extra patiënten. Wat deze toename veroorzaakt, is nog onduidelijk.
  • astma en allergieën voor huisstof, pollen, katten en honden minder voorkomen bij omwonenden van veehouderijen.

Het is niet mogelijk één veilige afstand aan te geven. De lokale omstandigheden verschillen daarvoor te sterk. De volgende omstandigheden zijn van invloed:

  • landgebruik (akkers, weilanden, bebouwing, bos)
  • het type veehouderij (rund, varken, geit, pluimvee)
  • de soort uitstoot (fijnstof, endotoxinen, bacteriën, ammoniak)
  • Het type stal in combinatie met het aantal dieren.

 
De Gezondheidsraad geeft aan dat er voor een algemeen geldende afstand geen wetenschappelijke onderbouwing is. De situatie zal daarom altijd ter plaatse moeten worden beoordeeld.

Ja, windrichting en windsterkte spelen een rol bij de verspreiding van fijnstof (inclusief niak en micro-organismen) en geur.

Omdat veehouderijen bijdragen aan de uitstoot van fijnstof draagt de veehouderij, net als industrie en verkeer, bij aan schadelijke gezondheidseffecten zoals die voor fijnstof worden gezien. Het gaat om: verminderde longfunctie, longontsteking, verergering van luchtwegklachten bij patiënten met astma en COPDChronic Obstructive Pulmonary Disease (Chronische Obstructieve Long Ziekte).  , hart- en vaatziekten, vroegtijdige sterfte, etc. Over de specifieke bijdrage van de veehouderij uitstoot aan het optreden van deze gezondheidseffecten is nog veel onbekend. Wel is duidelijk dat geiten ten opzichte van kippen en varkens relatief gezien weinig fijnstof uitstoten.

Meer informatie: Kennisbericht fijnstof en endotoxinen

Een verhoogde concentratie ammoniak in de lucht hangt volgens het VGOOnderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden -onderzoek samen met een verlaging van de longfunctie. Het is zeer waarschijnlijk niet het ammoniak zelf dat dit effect veroorzaakt. Ammoniak moet gezien worden als marker van alle mogelijke emissies van veehouderijbedrijven, waaronder fijnstof en endotoxine.

Geitenhouderijen dragen slechts weinig bij aan de totale ammoniakuitstoot.

In de veehouderij zijn twee soorten fijnstof van belang. Stofdeeltjes die direct van de bron in de lucht terecht komen noemen we primair fijnstof. Stofdeeltjes die gevormd worden door chemische reacties in de atmosfeer worden secundair fijnstof genoemd.

Ammoniak uitstoot door de veehouderij is een bron van secundair fijnstof omdat ammoniak met zwavel- en stikstofoxiden in de lucht omgevormd wordt tot de fijnstofbestanddelen ammoniumsulfaat en ammoniumnitraat. In de veehouderij is primair fijnstof vooral afkomstig van pluimveebedrijven en in mindere mate van varkensbedrijven. Verhoogde concentraties ammoniak leiden na enige tijd ook tot verhoogde concentraties secundair fijnstof. Het zou kunnen dat secundair fijnstof de longfunctiedaling veroorzaakt. Omdat ammoniak en secundair fijnstof zich over grote afstanden (tientallen tot honderden kilometers) verplaatsen, is dit verband niet specifiek voor omwonenden van een bepaald bedrijf, maar meer regionaal of zelfs landelijk.

Endotoxinen kunnen via inademing leiden tot acute en chronische luchtwegklachten. Endotoxinen veroorzaken geen infecties.

Endotoxinen zijn deeltjes van de celwand van (dode) gramnegatieve bacteriën.

Endotoxinen vormen een onderdeel van het fijnstof rond veehouderijen. Ook komen endotoxinen voor in het grovere stof (groter dan 10 micrometer). De Gezondheidsraad adviseert voor omwonenden een grenswaarde van 30 Endotoxine Units (EUEuropese unie)/m3. Er is geen onderzoek voor geitenhouderijen beschikbaar dat aangeeft of en op welke afstanden deze grenswaarde wordt overschreden. De WURWageningen University &Research heeft uitstoot van fijnstof en endotoxinen uit geitenstallen gemeten. Hieruit blijkt dat vergeleken met gemiddelde pluimvee- en varkensstallen geitenstallen beduidend minder fijnstof en endotoxinen uitstoten. Uit een eerste oriënterend onderzoek met verspreidingsmodellen is gebleken dat het risico op overschrijding van de 30 (EU)/m3 in de bewoonde omgeving rondom grote pluimveebedrijven het grootst is. Voor andere diercategorieën schept de bestaande geurzonering voldoende afstand. Wel is het zo dat bij situaties met veel nabijgelegen veehouderijbedrijven door een opeenstapeling van endotoxine-uitstoot ook bij geitenstallen de 30 (EU)/m3 kan worden overschreden.

Meer informatie: Kennisbericht fijnstof en endotoxinen

Is er ooit endotoxine afkomstig van de Q-koorts bacterie gemeten?

Nee, bij metingen achteraf kan niet worden geconcludeerd van welke bacterie het endotoxine afkomstig is. Meting van endotoxinen zijn niet specifiek. Endotoxinen komen van de celwand van (dode) gramnegatieve bacteriën. De Q-koorts bacterie is zo’n gramnegatieve bacteriën en zal - indien aanwezig - bijdragen aan de totale endotoxine uitstoot.

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHOWorld Health Organization (Wereldgezondheidsorganisatie) ) en de Gezondheidsraad beschouwen geurhinder als een gezondheidseffect. Zodra een geur kan worden waargenomen kan iemand daardoor gehinderd zijn, dat geldt ook voor omwonenden van veehouderijen. Of de blootstelling aan geur tot geurhinder leidt is afhankelijk van verschillende factoren.

Vooral van invloed zijn:

  • de karakteristieken van de geur zelf
  • de sterkte van de geur (geurconcentratie)
  • de duur van de geur (hoe vaak en hoe lang komt de geur voor)
  • de aangenaamheid van de geur (hedonische waarde)

Er wordt meer hinder ervaren als de geurconcentratie hoger is, de geur vaker voorkomt en de geur onaangenamer is. Daarnaast zijn er individuele verschillen in de waarneming van de geur. Deze verschillen zijn afhankelijk van:

  • leeftijd
  • geslacht
  • afkomst
  • individuele gevoeligheid

Er zijn nog andere factoren die bepalen hoe snel er geurhinder wordt ervaren. Bijvoorbeeld de houding ten opzichte van de geurbron (angst of boosheid) en de verwachtingen over de geurbelasting in de toekomst.
Geurhinder kan leiden tot veranderd gedrag (sluiten van ramen, binnen blijven).
Ook kan men ten gevolge van geurhinder stress ervaren met de daarmee gepaard gaande lichamelijke effecten. De hinder kan dan leiden tot stress-gerelateerde gezondheidseffecten, zoals hoofdpijn, benauwdheid en misselijkheid.
Omdat hinder geen (ernstige) ziekte is, wordt het aanvaardbaar geacht als er één of enkele mensen gehinderd zijn. Er zijn geen gezondheidskundige advieswaarden voor het maximaal aantal gehinderde mensen, het blijft een (lokale) afweging om te bepalen welk aantal aanvaardbaar is.

Meer informatie: Kennisbericht geur

Deze vraag kan op dit moment niet worden beantwoord. Er is niet specifiek onderzocht of de geur van geitenmest - bij een gelijke geurconcentratie - intenser stinkt dan de geur uit varkens- of koeienmest. Het IRASInstitute for Risk Assessment Sciences en de GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst hebben wel geur afkomstig van kippen, koeien en varkens vergeleken en vonden verschillen tussen deze diersoorten. Geiten werden in dat onderzoek niet meegenomen.

Overige dierziekten

Naast Q-koorts kunnen geiten door andere infectiezieken worden getroffen. Twee van deze ziektes riepen vragen op: Caprine arthritis encefalitis (CAECaprine arthritis encefalitis (CAE) is een persisterende virusinfectie bij geiten , een virusinfectie) en Caseous lymfadenitis (CLCaseous lymfadenitis (CL) is een bacteriële aandoening ), een bacteriële infectie veroorzaakt door Corynebacterium pseudotuberculosis.

Ja dat kan. Een bedrijf moet aan een aantal verplichtingen voldoen en een aantal onderzoeken met goed gevolg doorlopen voor het bedrijf wordt gecertificeerd. Daarna vindt jaarlijks heronderzoek plaats. Tussen twee onderzoeken kan een bedrijf soms een infectie oplopen omdat CLCaseous lymfadenitis (CL) is een bacteriële aandoening en CAECaprine arthritis encefalitis (CAE) is een persisterende virusinfectie bij geiten overal in Nederland voorkomen. Zo’n besmetting wordt bij het volgende heronderzoek weer ontdekt. Inzet van het certificeringsprogramma van de GDGezondheidsdienst voor Dieren blijft deze ziektes verder terug te dringen en op termijn uit te faseren.

CAECaprine arthritis encefalitis (CAE) is een persisterende virusinfectie bij geiten is niet besmettelijk voor mensen. Voor CLCaseous lymfadenitis (CL) is een bacteriële aandoening is besmetting onwaarschijnlijk. Er zijn wereldwijd maar enkele infecties bij mensen beschreven en de meeste melkgeitenbedrijven zijn CL-vrij gecertificeerd. Er zijn geen gevallen bekend van overdracht van CL op omwonenden van geitenbedrijven. CL kan op mensen worden overgedragen, maar alleen via intensief contact met de dieren of via het drinken van rauwe melk.

Ja, CAECaprine arthritis encefalitis (CAE) is een persisterende virusinfectie bij geiten is een virusziekte die jarenlang in een dier aanwezig kan zijn zonder dat het ziekteverschijnselen heeft en is moeilijk aan te tonen. De bacterie die CLCaseous lymfadenitis (CL) is een bacteriële aandoening veroorzaakt kan net als de Q-koortsbacterie lang en onder allerlei milieuomstandigheden overleven en kan ook moeilijk worden aangetoond.

Signalering van deze dierziektes vindt op dezelfde manier plaats als voor andere niet-meldplichtige dierziekten. Indien nodig neemt GDGezondheidsdienst voor Dieren , NVWANederlandse Voedsel en Waren Autoriteit of GGDGemeentelijke/gewestelijke gezondheidsdienst contact op met het CIbCentrum Infectieziektebestrijding (onderdeel van het RIVM). CLCaseous lymfadenitis (CL) is een bacteriële aandoening besmettingen worden in het SO-Z afgehandeld.  Omdat overdracht van CL op mensen zeldzaam is en er voor CAECaprine arthritis encefalitis (CAE) is een persisterende virusinfectie bij geiten geen aanwijzingen zijn dat mensen besmet kunnen worden is acuut gevaar voor omwonenden onwaarschijnlijk.

Reducerende maatregelen/afstanden

Bij het treffen van maatregelen om de uitstoot uit veehouderijen te verminderen gaat het allereerst om wettelijke verplichte maatregelen. Daarnaast kunnen er extra maatregelen boven de wettelijke verplichting worden getroffen. Sommige van deze maatregelen zou de gemeente redelijkerwijs in de vergunning kunnen opnemen. Andere maatregelen kunnen alleen in overleg met de ondernemer op basis van vrijwilligheid getroffen worden.

De uitstoot van stof en geur vanuit geitenstallen kan worden gereduceerd, maar meestal moet de geitenstal daarvoor worden omgebouwd. Geitenstallen hebben nu meestal open zijwanden, waardoor de dieren voldoende frisse lucht krijgen. Mechanische ventilatie met ventilatoren is dan niet nodig. Om de stallucht te reinigen met luchtwassers heb je die mechanische ventilatie wel nodig. Bij mechanische ventilatie komt de lucht uit de stal in een centraal afzuigkanaal terecht. Grote ventilatoren zorgen voor afvoer van de stallucht en blazen die naar buiten. Bij een stal met mechanische ventilatie kan de stallucht worden gereinigd met een luchtwasser. De stallucht wordt dan - voordat die naar buiten geblazen wordt - eerst door een filterpakket gezogen. Dit filterpakket reduceert ammoniak, fijn stof en geur. Sinds 19 juli 2018 kunnen luchtwassers, volgens de Regeling geurhinder en veehouderij, in mechanisch geventileerde, gesloten geitenstallen ook voor geurreductie worden toegepast.

Sinds december 2017 zijn luchtwassers in geitenstallen opgenomen in de lijst met ammoniak reducerende maatregelen (RavRegeling ammoniak en veehouderij -lijst). Luchtwasser kunnen worden toegepast in geitenstallen om de uitstoot van ammoniak, geur, en fijnstof (inclusief micro- organismen) terug te dringen. Daarbij moet worden aangetekend dat uit recent onderzoek blijkt dat het rendement van luchtwassers in de praktijk minder kan zijn dan verwacht. Op dit moment zijn luchtwassers alleen toegestaan bij mechanisch geventileerde gesloten geitenstallen. Dit betekent dat de stallen voorzien moeten zijn van inlaatopeningen en de deuren zoveel mogelijk gesloten moeten blijven. In bepaalde gevallen kunnen ook eisen met betrekking tot de opslag en transport van mest in de vergunning worden opgenomen.

Het aandeel van de geitenmest in de geuruitstoot van een bedrijf is niet bekend. Wel is er een wettelijke verplichting om mest uit geitenstallen of direct in een afgedekte vrachtwagen naar een erkend composteerbedrijf af te voeren of minstens 30 dagen afgedekt op te slaan.

Alle melkgeiten op een bedrijf worden gevaccineerd en er worden geen ongevaccineerde dieren aangevoerd. Verder wordt de tankmelk gecontroleerd op aanwezigheid van de Q- koorts bacterie. Besmetting met Q-koorts vanuit een geitenbedrijf is daardoor onwaarschijnlijk geworden.

Verder is er een signaleringsstructuur voor besmettelijke dierziekten en zoönosen. Het Centrum Infectieziektebestrijding vervult een sleutelrol bij een gerichte aanpak van een eventuele besmetting.